Elements Expedities LINDA.nl

Henk uit huis: #33 'Ik voel zoveel liefde. Voor mijn ex, mijn zoons en, verdomme, ook voor mezelf'

Henk van Straten (35) is schrijver, columnist en vader. Hij woont sinds een paar maanden op zichzelf. Op LINDAnieuws schrijft hij over zijn leven. (foto Dim Balsem)

Dinsdag, 7 juli 2015, 15:51 uur

Dag vijf van mijn reis door de bergen van Albanië. Een georganiseerde mannenreis. Terug naar de natuur, naar wie je bent, zonder telefoon, zonder werk, zonder vrouwen. We hebben eindeloos gewandeld, wild gekampeerd, in de bossen gepoept, op de vloer gelogeerd bij arme families, schorpioenen ontweken, samen naakt in een zweethut gezeten. Al de tweede nacht, toen ik wakker lag in een te kleine tent op een te schuine helling, wist ik het zeker: Dit is niet voor mij. Maar toen waren er de bergen. De wijdse luchten en de ruimte. De zinderende leegte. Langzaam liet mijn geest die dingen toe. Langzaam begon ik iets los te laten.

Zoals ik al zei: dag vijf. Met z’n allen op een krakkemikkige boot, op een kraakheldere rivier. Ik zit achter de stuurman, op een gemonteerde autostoel. Hij heeft de boot zelf gebouwd. Het roer is het stuur van een Ford personenauto, met airbag. Aan weerszijden doemen bergflanken en bossen op. Het einde van de reis komt in zicht, maar het einde heeft zijn aantrekkingskracht verloren. De zon valt op mijn gezicht. Hetdoekdoekdoek van de motor trekt me steeds dieper een trance-achtige mijmering in.

Ik kijk naar de andere mannen. Ze staren naar de bergen, of kletsen zachtjes, of lachen, verloren in de overweldigende ongrijpbaarheid van hun eigen levens. Hun pijn, hun angsten, hun liefde. Nu zijn ze hier op zoek. Op zoek naar wat? Naar contact met iets diepers. Naar henzelf. Koers gezet naar een fata morgana. En in dat streven ineens een groep. Een tribe, zo noemt de gids ons. Ik glimlach bij de gedachte aan de dingen die we hebben gedeeld. Twee keer per dag een sharing, in een cirkel op de grond, zo ver uit mijn comfort zone dat ik mijn comfort zone niet eens meer kon zien.

Het is voor het eerst sinds mijn scheiding dat ik weg ben. Écht weg. Het gekke: ik mis niemand. Dat ik mijn telefoon moest inleveren vind ik prima; ik heb geen behoefte om iemand te bellen, zelfs mijn zoontjes niet. Het is goed zo. Het is alsof niets me hier kan raken. Niet omdat ik me er niet bij betrokken voel, maar omdat ik zie dat al die dingen die op ons drukken, die ons neertrekken, in feite helemaal geen gewicht hebben. We géven het gewicht. Hier in de bergen kan ik het me haast niet voorstellen; de somberte die ik bij me droeg, alsof het van buiten kwam en niet van binnen.

Het is goed. Ik voel zoveel liefde. Voor mijn ex, voor mijn zoons, voor mijn vrienden, familie, schoonfamilie, deze jongens hier. En, verdomme, ook voor mezelf. Ik gun mezelf wat ik hen gun: dat we het niet aldoor nog moeilijker maken dan het al is. Dat het leven wat vaker is als varen op deze rivier. Geen wrok, geen spijt, geen verdiet, geen woede. Zelfs geen melancholie, en dat is voor mij nogal wat. Hoe gek, dat ik even niets echt belangrijk vind. Dat er alleen de zon op het water is, en de kinderlijke grijns op het gezicht van de stuurman wanneer hij gekke geluiden maakt met zijn piepende radio. En wat mooi dat ik hier ben met deze mannen. Vederlicht zijn we. Verbonden in eenzaamheid. En onderweg. Altijd onderweg.